27 maart 2007 Lezing erfelijkheid en hondenfokkerij
spreker: dhr. Ed Gubbels, geneticus
Op dinsdag 27 maart was dhr. Ed Gubbels op uitnodiging van de Engelse Cocker Spaniel Club Nederland gastspreker in Motel Maarsbergen. Aanwezig waren ca. 45 personen met een diversiteit aan rassen. Dhr. Gubbels heeft op een boeiende wijze en met hier en daar een vleugje humor een avondvullende lezing gehouden over genetica.
Elke hond heeft circa 30.000 genenparen. Over een paar 100 genenparen weten wij iets, zoals heupdysplasie, kleur van de vacht, neuslengte, krulstaart of rechte staart, PRA, enzovoort. Dat betekent dat wij in het gunstigste geval kennis hebben over 3% van de genenparen. Op basis van deze kennis en ons eigen inzicht wordt gefokt. Al voor 1900 werd inteelt met selectie toegepast. Gewenste kenmerken werden vastgelegd, maar helaas werden ook de ongewenste kenmerken vastgelegd.
In het verleden had elke fokker zijn eigen lijn. Wanneer de lijn in de problemen kwam door het optreden van ongewenste eigenschappen, kon de fokker bij een collega in de buurt terecht voor ‘nieuw bloed'. Daarmee herstelde hij wat van de genetische variatie die door inteelt verloren was gegaan en kon het proces van ‘inteelt met selectie' worden voortgezet. In de beginfase kon men vaak aan de hond zien dat die bij een bepaalde fokker vandaan kwam.
Door onderling te kruisen gingen zijn honden steeds meer op elkaar lijken. Er werd inteelt met selectie toegepast. Doordat onze mobiliteit is toegenomen zijn we voor onze ‘bloedverversing' steeds meer honden uit dezelfde lijnen gaan gebruiken. Tegenwoordig worden bijvoorbeeld honden uit het buitenland naar Nederland gehaald waar hij een jaartje mag dekken voordat hij weer terugvliegt of naar een volgend land wordt getransporteerd. Het gevolg is dat, als we met onze lijn in de problemen komen, het bijna onmogelijk blijkt om nog onverwante fokdieren te vinden om de erfelijke variatie te herstellen. Waar we voorheen te maken hadden met hogere niveaus van inteelt die binnen de afzonderlijke lijnen ontstonden, zien we nu dat er een hoog inteeltniveau, gebaseerd op gemeenschappelijke voorouders voor het hele ras is ontstaan. We hebben bereikt wat we wilden, de honden binnen het ras lijken steeds meer op elkaar. Het nadeel is dat de fokker geen kant meer op kan als hij met zijn lijn in de problemen komt door een erfelijke afwijking of door verlies aan type.
Inteelt heeft invloed op alle genenparen, dus ook de fokzuiverheid van ongewenste genen neemt toe. Hoe meer inteelt wordt toegepast, des te meer problemen we krijgen. We zien meer erfelijke afwijkingen en op langere termijn vitaliteitverlies (de honden worden ziektegevoeliger, de vruchtbaarheid neemt af, het leven wordt korter en er ontstaat meer angst en nervositeit). Door te vaak de kampioenreu te gebruiken kunnen ook erfelijke problemen worden vastgelegd. Zijn kinderen worden ook weer gebruikt en waarschijnlijk in de 3 e of 4 e generatie komen ze elkaar tegen met een eventuele dekking. Zij hebben dan die ene kampioen als gemeenschappelijke voorouder en zullen de erfelijke problemen die de kampioensreu doorgaf in hun nakomelingen laten zien. Men kiest er dan ook voor om een nieuwe reu uit het buitenland te halen, maar als die dan te veelvuldig wordt ingezet en zijn kinderen ook weer, ontstaan er drie à vier generaties later problemen die van die reu afkomstig zijn. Outcross is dan ook een betrekkelijk begrip: meestal hebben wij het over een outcross als er in 3 generaties dezelfde naam niet meer voorkomt, maar er is nog steeds verwantschap mogelijk. Problemen zullen overigens altijd voorkomen. De mate waarin hebben we zelf in de hand. Door onderzoek is gebleken dat bij 10% meer inteelt het leven met een jaar wordt verkort. Met selectie kun je niet compenseren wat de inteelt heeft veroorzaakt. Helaas selecteren we pas tegen problemen als we ze opmerken. In het begin geloven we dat dat ene gevalletje een incident is, een mutatie en zwijgen er maar over. Na verloop van tijd blijkt het toch erger te zijn dan verwacht. Bij 4% van een erfelijke afwijking, bijvoorbeeld epilepsie, is 32% drager. Zelfs bij 1% is nog altijd 18% een drager. Door de lijders uit te schakelen en door te fokken met de dragers en vrije honden kunnen we het probleem toch nooit volledig kwijt raken. Na 10 generaties is 0,44 nog steeds lijder (en is 12,5% nog steeds drager). Na 20 generaties is nog steeds 7% drager. Zelfs na 40 generaties uitsluiten van lijders is er nog steeds vier à vijf procent over wat drager is. Bedenken we dat een drager de helft van zijn foute genen doorgeeft, dan zien we dat dus de helft van zijn kinderen nog steeds drager zijn.
Overigens is een erfelijk probleem niet alleen een probleem van de fokker, maar van het hele ras! Omdat de dragers meestal niet zichtbaar zijn kan elke fokker in het bezit zijn van dragers van welke afwijkingen dan ook. Als we een zeldzaam probleem in ons ras hebben dat bijvoorbeeld slechts eens per 10.000 geboren pups voorkomt, dan moeten we bedenken dat 2% van de honden drager is voor dat probleem. Het gaat om één op de vijftig honden!
Het grootste gevaar van selectieprogramma's is dat we gaan ‘overselecteren'. We sluiten dan te veel dieren uit omwille van een ‘erfelijke afwijking' en fokken dan verder met een te kleine groep fokdieren. Heel vaak zien we dan dat een paar reuen die voor dat ene kenmerk ‘wel goed' zijn te vaak worden gebruikt waardoor zij de oorzaak zijn van de volgende rasproblemen, drie à vier generaties later.
In je selectieprogramma moet je als fokkers een gezamenlijk beleid maken. Natuurlijk moet je lijders en misschien zelfs dragers uitschakelen voor afwijkingen die een groot gebrek aan welzijn veroorzaken voor de honden en hun eigenaren. Bij ‘kleinere defecten' komt steeds weer de vraag aan de orde hoe het zit met de afweging tussen het belang van de dieren in de volgende generatie en de belangen van het ras op langere termijn. Je zult steeds moeten opletten dat je het aantal fokdieren niet zover beperkt dat je in volgende generaties weer andere problemen veroorzaakt. Voor de fokker is dat een moeilijke afweging, hij is vooral betrokken bij de pups die hij in de volgende generatie gaat krijgen terwijl hij de gevolgen van zijn keuzen drie generaties later eigenlijk maar moeilijk kan overzien.
De eerste stap is altijd ervoor te zorgen dat een reu maar een maximum aantal keren mag dekken. Bij de meeste reuen gebeurt dit ook in Nederland, op een paar uitzonderingen na. Daarmee wordt voorkomen dat een reu de kans krijgt om een aantal generaties later voor grote problemen te zorgen.
Wie is er nu eigenlijk verantwoordelijk voor het welzijn van de honden? De fokker is en blijft verantwoordelijk voor zijn fokproducten. Dat geldt niet alleen voor de wet, het geldt ook in morele zin, het is de fokker die zijn besluiten neemt over wel of niet fokken en met welke honden. Ook de Rasvereniging, de Raad van Beheer, de Keurmeesters, de Dierenartsen en de Overheid dragen hun steentje bij als het gaat om de gezondheid en het welzijn van de honden. Als keurmeesters een hond met een hele korte snuit (Franse Bulldog bijvoorbeeld) laat winnen en ieder gaat dit type kortsnuit volgen en fokken, is hij medeverantwoordelijk dat het ras in een paar jaar tijd bijna geen adem meer kan halen omdat de neus te kort is geworden. Rassen kun je behouden met een fatsoenlijk fokbeleid, maar is de tijd daar rijp voor? Welke kant gaan we op? De Overheid kan de wet zo aanpassen en een fokverbod voor bepaalde rassen of afwijkingen opleggen als we niet beter op het welzijn letten. Zo ver zou het niet moeten komen. De fokkers, samen met de andere partijen in de sector, zouden afspraken kunnen maken om te voorkomen dat rassen (en dus honden en hun eigenaren) in de problemen komen.
In deze moderne tijd is het mogelijk door middel van DNAmarkers bepaalde erfelijke afwijkingen op te sporen en daardoor met de fokkerij hierop te selecteren. Met een DNAmarker kun je het genotype vaststellen. Een aantal zijn inmiddels bekend zoals PRA en FN. Hoe meer markers er worden ontdekt en hoe meer we hierop gaan testen, des te duurder wordt onze hobby, want per test betaal je al snel ruim 50-100 euro. En willen we dit ook? Met deze kennis kunnen we lijders en dragers wel gaan uitsluiten, maar we houden niks meer over en de genenpool wordt steeds kleiner, inteelt wordt groter en de andere problemen komen naar voren. Het is mogelijk om DNA op te slaan in de Databank bij Genetic Councelling Services ( www.gencouns.nl ). Deze kan men koppelen aan een kenmerkenregistratie (bijvoorbeeld HD, epilepsie, cataract, enzovoort). Ook is afstammingscontrole eenvoudiger en weten we zeker dat de vader van uw hond de echte vader is!
Rond 23 uur werd de lezing afgesloten, maar de aanwezigen hadden nog veel meer willen horen. Er kwam dan ook een verzoek voor een vervolg. Daar wordt over nagedacht en de aanwezigen zullen middels een e-mail ter zijner tijd op de hoogte worden gebracht over een datum. Ondertussen kan men voor nog meer informatie naar www.gencouns.nl gaan. Daar staan artikelen die allerlei aspecten wat uitvoeriger beschrijven en die gratis (ongewijzigd en mèt bronvermelding) mogen worden overgenomen in clubbladen. Dhr Ed Gubbels werd bedankt middels een, hoe kan het ook anders, (paas)ei, want daar is het allemaal ooit mee begonnen!

|